Uitleg FairkiezingsWijzer

De Onderwerpen

Hieronder wordt de keuze voor de verschillende thema’s en beleidsgebieden die in de FairkiezingsWijzer tegen het licht worden gehouden, uitgelegd. Deze onderwerpen zijn niet willekeurig gekozen, veelal gaat het om beleidsgebieden die gerelateerd zijn aan specifieke cases van Fair Politics, waarin (mogelijke) schadelijke gevolgen van Nederlands en Europees beleid op ontwikkelingslanden worden toegelicht en beleidsaanbevelingen worden gedaan.

Het zijn alle beleidsterreinen die veel impact kunnen hebben op ontwikkelingslanden. Bovendien zegt de EU dat ze ontwikkelingslanden wil helpen ontwikkelen op deze gebieden. Toch wordt er beleid geformuleerd dat het tegenovergestelde bewerkstelligd en daarmee is dat beleid incoherent. Willen we dat ontwikkelingsbeleid zinvol en effectief is, dan moeten we in Nederland én in de EU rekening houden met de consequenties van ons beleid op deze landen.

Zeer uitgebreide uitleg en meer achtergrondinformatie wat betreft de specifieke cases kan worden gevonden op de websites van Fair Politics (www.fairpolitics.nl en www.fairpolitics.eu).

Algemeen                                                                                                             

De gedachte waarop de Fairkiezingswijzer is gebaseerd is dat Europese politici en beleidsmakers moeten nadenken over de consequenties van hun beslissingen voor ontwikkelingslanden. Fair Politics vindt dat beleid op álle gebieden moet worden getoetst op mogelijke onbedoelde effecten in ontwikkelingslanden. Nederland en de EU moeten er alles aan doen om negatieve gevolgen voor mensen in ontwikkelingslanden te voorkomen, te verhelpen of te beperken. Dit noemen we coherentie van beleid. De gevolgen van het Europese beleid op andere gebieden dan ontwikkeling druisen vaak tegen de doelen van het Europese ontwikkelingsbeleid in. De verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen vormen de basis voor de toekomstige Nederlandse europarlementariërs en daarom is het belangrijk deze goed te bestuderen en vergelijken.

In sommige van deze verkiezingsprogramma’s wordt de gedachte dat beleid coherent moet zijn met het oog op ontwikkelingslanden gedeeld en wordt expliciet vermeld dat politici rekening moeten houden met deze landen op beleidsgebieden die ook (juist!) buiten het ontwikkelingssamenwerkingbeleid liggen. Dit vindt Fair Politics vanzelfsprekend zeer positief. Helaas zijn er ook politieke partijen die deze algemene visie niet delen, of in ieder geval niet uitspreken.

Handel en Economic Partnership Agreements (EPA’s)                                                             

De Europese Unie drijft veel handel met landen uit de hele wereld en veel van deze landen zijn dan ook afhankelijk van de enorme afzetmarkt die de EU is. De EU hanteert echter veel protectionistische maatregelen, strenge eisen waar geïmporteerde producten aan moeten voldoen en subsidieert haar eigen exportproducten zodat die voor lage prijzen kunnen worden verkocht in andere delen van de wereld. Terwijl handel juist zeer in het voordeel kan zijn van ontwikkelingslanden, zwakt de EU deze economische ontwikkelingsmogelijkheden af door dergelijke tarifaire en non-tarifaire handelsbarrières op te roepen. Handelsakkoorden (EPA’s) die de EU wil sluiten met landen uit Afrika en de Caribische en Pacifische gebieden zijn in beginsel bedoeld als een poging om handel en ontwikkelingssamenwerking te combineren tot een geheel. In de onderhandelingen zoals ze tot nu toe zijn verlopen, en in de akkoorden die tot nu toe zijn afgesloten, zijn ontwikkelingsaspecten totaal ondergesneeuwd door economische belangen. Fair Politics vindt dat er ingrijpende veranderingen moeten worden doorgevoerd binnen de EPA’s, voordat zij ook echt voordelig zijn voor ontwikkelingslanden.

Landbouw en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid  (GLB)                                                 

Veel mensen in ontwikkelingslanden zijn in hun levensonderhoud afhankelijk van de landbouw. Omdat zij vaak niet de mogelijkheden en kennis hebben om deze landbouw zo duurzaam mogelijk te bedrijven, is het belangrijk dat de EU daaraan bijdraagt, ook vanuit het oogpunt van klimaatverandering. Daartegen afgeschilderd is het Europese landbouwbeleid een vat vol tegenstrijdigheden: de inkomens- en productiesubsidies en importheffingen die deel uitmaken van dit beleid hebben zeer nadelige gevolgen voor de concurrentiepositie van boeren in ontwikkelingslanden. Er verschijnen goedkope, gedumpte, Europese landbouwgoederen op Afrikaanse markten waar de lokale boeren niet mee kunnen concurreren. Landbouwproducten die door deze boeren worden geproduceerd kunnen ook niet worden verkocht op de Europese markt door de heffingen die aan hen worden opgelegd. Het Europese landbouw beleid zou zodanig moeten worden vormgegeven dat er niet alleen aan Europese boeren wordt gedacht, maar ook aan boeren in ontwikkelingslanden.

Visserij

In zeeën over de hele wereld zijn er problemen door overbevissing. De visstanden zijn gevaarlijk laag, de blauwe tonijn dreigt door structurele overbevissing op korte termijn helemaal te verdwijnen. De oorzaak ligt ook bij de EU. De visserijakkoorden die de EU met veel ontwikkelingslanden heeft afgesloten, hebben veel effect gehad op het milieu en op de lokale bevolking in landen die afhankelijk zijn van de opbrengsten van hun visserijsector. Ook hier is er weer sprake van subsidies voor Europese vissers die hen economische voordelen opleveren ten opzichte van lokale vissers. Daarnaast bepalen oneerlijke oorsprongsregels de toegang tot de Europese markt. Onverwerkte vis naar Europa exporteren kan, over verwerkte vis (blikjes tonijn) moeten torenhoge heffingen worden betaald. Met andere woorden: het wordt Afrikaanse landen moeilijk gemaakt zelf een downstream industrie op poten te zetten, waardoor de toegevoegde waarde en daarmee inkomen in het land zou blijven. Met alle gevolgen voor de ontwikkelingskansen voor deze landen.
Niet alleen milieu en duurzame ontwikkeling staan op het spel, ook de inkomsten van veel mensen in arme landen hangen af van visserij. Dit is een duidelijk onderwerp waar de EU haar beleid moet aanpassen en haar verantwoordelijkheid moet nemen, zodat andere landen niet de kosten betalen. 

Toegang tot medicijnen en Intellectuele Eigendomsrechten                                                      

De EU kent zeer strikte intellectuele eigendomsrechten die de rechten van iemand beschermen die iets heeft uitgevonden of ontwikkeld. Patentrechten vallen hier ook onder en deze gelden ook voor medicijnen. De investering die de patenthouder heeft gedaan om het medicijn te onderzoeken en ontwikkelen worden zo terugverdiend. Intellectuele eigendomsrechten worden echter ook opgenomen in veel handelsgerelateerde verdragen die de EU sluit met ontwikkelingslanden binnen en buiten de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De strikte eisen rondom deze patentrechten en de zware straffen die erop staan wanneer ze geschonden worden, zorgen ervoor dat de toegang tot medicijnen in ontwikkelingslanden beperkt wordt. De gepatenteerde medicijnen zijn te duur of ze zijn überhaupt niet beschikbaar. De productie van generieke medicijnen, die niet onder een patent (dus merknaam) vallen en daarom vele malen goedkoper zijn, maar wel dezelfde werkzame stoffen bevatten, is daarom voor de publieke gezondheidssituatie in deze landen van cruciaal belang. Strenge patentregels en bescherming van eigendomsrechten zorgen er echter voor dat het steeds moeilijker wordt deze generieke medicijnen te produceren en te verhandelen. De EU zegt er in haar ontwikkelingssamenwerkingbeleid naar te streven bij te dragen aan de gezondheidszorg en de toegang tot medicijnen in ontwikkelingslanden. Om dit streven werkelijkheid te maken, moeten er op het gebied van intellectuele eigendomsrechten regels worden versoepeld voor ontwikkelingslanden.  

Wapenhandel                                                                                                                        

De EU is zelf een grote exporteur van wapens en geeft daarnaast ruimte voor wapenhandel vanuit andere landen via haar grondgebied. De controle op deze wapenexport en dit wapentransport schiet echter tekort, waardoor wapens vaak terechtkomen in conflictgebieden in ontwikkelingslanden. De nadelige gevolgen hiervan voor de lokale bevolking mogen duidelijk zijn. Nederland en de EU kunnen nog veel meer doen om illegale en ongecontroleerde wapenhandel via haar grondgebied aan banden te leggen. 

Migratie, Blue Card en ‘braindrain’                                                                                          

We kampen met een vergrijzingsprobleem en arbeidstekorten in de gehele EU. Door de Europese Commissie worden de oplossingen daarvoor gezocht in het aantrekken van kennismigranten van buiten Europa. De Blue Card, een toegangsticket voor de EU, is bedoeld om hoogopgeleide werknemers van buiten de EU, ook uit ontwikkelingslanden, te werven. Dit biedt natuurlijk voordelen voor deze migranten, met name economische. Maar helaas worden ontwikkelingslanden vaak benadeeld, omdat hoogopgeleid personeel dat in eigen land broodnodig en schaars is, wegtrekt vanwege betere economische perspectieven in de EU. Het beleid van de EU ten voordele van zichzelf zorgt er op deze manier voor dat de knapste koppen uit ontwikkelingslanden vertrekken, waarmee de ontwikkelingskansen van deze landen kleiner worden. Er moeten daarom goede oplossingen komen voor de problemen waar deze landen mee te maken zullen krijgen als gevolg van de Blue Card, zodat beide partijen kunnen profiteren van de uitwisseling van kennis.

Illegale houtkap                                                                                                                     

Veel hout dat in Europa wordt geïmporteerd en gebruikt is illegaal gekapt. Het illegaal kappen van bomen gebeurt in grote hoeveelheden in ontwikkelingslanden en heeft veel invloed op de natuur en biodiversiteit ter plaatse. Aangezien veel mensen afhankelijk zijn van de bossen en de regeringen van deze landen door illegaal verhandeld hout veel inkomsten mislopen, is er ook sprake van economische en sociale gevolgen. Aangezien de EU door haar grote afzetmarkt een stimulator is voor bedrijven om door te gaan met het illegaal kappen van bomen, kan de EU ook een grote rol spelen om dit tegen te gaan. Bovendien streeft de EU in haar ontwikkelingsbeleid naar behoud van biodiversiteit en duurzame exploitatie van natuurlijke bronnen in arme landen en zou vanuit dit oogpunt betere maatregelen moeten nemen. Er zijn door de EU stappen in de goede richting gezet, maar meer actie is nodig.

Biobrandstoffen                                                                                                                                

Waar we onze energie vandaan halen is een belangrijke kwestie in de hele wereld en dus ook in Nederland en in de EU als geheel. Fossiele brandstoffen raken op, zijn daarmee niet duurzaam en zijn bovendien zeer milieuvervuilend. We willen de klimaatverandering tegengaan en bovendien niet afhankelijk zijn van schaarse energiebronnen. Een bron van energie waar tegenwoordig veel gebruik van wordt gemaakt, zijn biobrandstoffen. Er wordt energie gewonnen uit biomassa, zoals planten. De meest voorkomende biobrandstoffen zijn de zogenoemde eerste generatie biobrandstoffen en dit zijn voornamelijk voedselgewassen zoals suikerriet, maïs en tarwe. Deze gewassen worden veel verbouwd op landbouwgrond in ontwikkelingslanden wat tot gevolg heeft dat op deze stukken land geen plaats is voor het verbouwen van voedselproducten. Daardoor stijgen de voedselprijzen en worden sommige producten schaarser. In landen waar al een voedselprobleem bestaat, zoals in veel arme landen het geval is, is dit funest voor de bevolking. De EU moet daarom het gebruik van eerste-generatie biobrandstoffen niet stimuleren en subsidiëren, maar investeren in duurzame alternatieve bronnen van energie en in tweede en derde generatie biobrandstoffen. Potentieel biedt de productie van biobrandstoffen in ontwikkelingslanden hen namelijk ook kansen: als zij zelf de kans kregen de door hen geproduceerde grondstoffen om te zetten in bijvoorbeeld bio-ethanol, die vervolgens wordt geëxporteerd, blijft de toegevoegde waarde in het land en dat levert aanzienlijke inkomsten op.

Fossiele brandstoffen en grondstoffen                                                                                  

Fossiele brandstoffen zoals gas en olie zijn ondanks grote gevolgen voor het milieu en ons leefklimaat nog steeds populair. Zo ook in ontwikkelingslanden, waar de kennis en mogelijkheden om alternatieve brandstoffen te onderzoeken vaak niet aanwezig zijn. De gevolgen van dit gebruik zijn over de gehele wereld merkbaar; luchtvervuiling stopt niet bij de grens. Aanpak van deze problemen is daarom ook gunstig voor ontwikkelingslanden.
Ontwikkelingslanden zijn dan wel vaak rijk aan andere grondstoffen zoals bauxiet, ijzererts, tin en koper. Deze ‘ruwe materialen’ zijn cruciaal voor de Europese en Nederlandse industrie, maar komen in onze bodem niet voor. Daarom worden deze grondstoffen in veel ontwikkelingslanden gewonnen en vervolgens geëxporteerd naar veel rijkere landen waar deze producten verwerkt worden. Om haar positie te versteken in de zogenaamde grondstoffenrace die zo ontstaat, wil de EU vergaande maatregelen nemen om haar toegang tot deze grondstoffen te garanderen, waarbij de belangen van ontwikkelingslanden en hun soevereine recht over de delving van hun bodemschatten niet worden meegewogen.

Mensenrechten en kinderarbeid                                                                                              

De EU heeft een sterke positie in de wereld en in de internationale politiek en kan deze positie gebruiken om mensenrechten overal ter wereld te promoten en beschermen. Deze rol legt de EU, en Nederland binnen de EU, zichzelf ook op. In haar beleid op andere gebieden dan alleen ontwikkelingssamenwerking moet dan ook gelet worden op de invloed van beleid op mensenrechten. Daarnaast worden er op de Europese markt veel producten aangeboden die door kinderen zijn gemaakt, vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Dit is natuurlijk in conflict met het streven om mensenrechten te beschermen. Kinderen die moeten werken kunnen bovendien niet naar school, wat hun kansen verkleint om later een menswaardig bestaan op te bouwen voor zichzelf en hun gezin. De EU, en Nederland binnen de EU, zouden deze problematiek van kinderarbeid systematisch moeten aankaarten binnen het kader van het  buitenlandse beleid.

Economische crisis                                                                                                               

We zijn allen in de ban van de economische en financiële crises. Op nationaal, Europees en internationaal niveau worden afspraken gemaakt en maatregelen genomen om de gevolgen ervan zo beperkt mogelijk te houden. Door een aantal mensen is al onderzocht en beweerd dat de gevolgen voor ontwikkelingslanden nog vele malen groter zullen zijn, omdat zij vaak een kwetsbaardere economie en politiek hebben. Bovendien dreigen de ontwikkelingsbudgetten van Europese lidstaten de dupe te worden van bezwijkende banken die gered moeten worden. De EU en haar lidstaten moeten oppassen dat de maatregelen die zij nemen om hun eigen markt te beschermen niet ten nadele zullen zijn van ontwikkelingslanden die het al moeilijk genoeg hebben.

 

De beoordeling.

De verkiezingsprogramma’s van alle partijen zijn op de elf verschillende onderwerpen beoordeeld. De mogelijke beoordelingen zijn:

  • ‘++’      zeer goed: De partij vermeldt expliciet dat op dit gebied met de belangen van ontwikkelingslanden rekening moet worden gehouden.(type="square")
  • ‘+’        goed: De partij vermeldt impliciet dat op dit gebied met de belangen van ontwikkeling(slanden) rekening moet worden. Of de partij stelt maatregelen voor op dit beleidsonderwerp die positief zijn voor ontwikkelingslanden ook al worden deze niet genoemd.
  • ‘0’        Het onderwerp wordt niet besproken.
  • ‘-‘         slecht: Het belang van de EU en/of Nederland gaat vóór het belang van ontwikkelingslanden.
  • ‘- -‘       zeer slecht: De partij spreekt is duidelijk tegen het meewegen van belangen ontwikkelingslanden op dit gebied.

Er is zoveel mogelijk vastgehouden aan deze beoordelingscriteria. De verkiezingsprogramma’s zijn ook vergeleken met elkaar en de beoordelingen staan dan ook zoveel mogelijk in verhouding tot elkaar.