Met de mond belijdt Nederland een stringent wapendoorvoerbeleid, in de praktijk wordt er slechts mondjesmaat gecontroleerd op Schiphol en in de Rotterdamse haven. Zo konden in 2001 ongemerkt 633 NAVO-tanks via Rotterdam naar Afrika worden doorgevoerd. Het wordt hoog tijd dat Nederland de regelgeving op doorvoer van militaire en strategische goederen verscherpt en strenger controleert op de naleving.

Nederland heeft internationaal gezien een goede reputatie wat betreft het tegengaan van de verspreiding van kleine wapens. Op bilateraal en multilateraal niveau voert de Nederlandse regering een pro-actief beleid om de problemen die kleine wapens veroorzaken aan te pakken. Ook bij de uitvoer van Nederlandse wapens wordt er streng gecontroleerd. De criteria voor wapenexporten zijn vastgelegd in de EU-Gedragscode voor de Wapenexport. Deze code was lange tijd slechts politiek maar niet juridisch bindend. Afgelopen december werd de Gedragscode (Code of Conduct) na tien jaar omgezet in een Gemeenschappelijk Standpunt (common position). Het document waarin de wapenexport gereguleerd wordt aan de hand van acht criteria, blijft hetzelfde. Het grote verschil is dat het nu wel juridisch bindend is.
Op het gebied van doorvoer van kleine wapens schiet Nederland echter zwaar tekort. Via de Rotterdamse haven en Schiphol worden jaarlijks vele wapens doorgevoerd. Door gebrek aan controle weten we in de meeste gevallen niet waar die wapens terecht komen. Het wordt hoog tijd dat Nederland de regelgeving op doorvoer van militaire goederen gaat verscherpen en deze strenger gaat controleren op naleving.
Voor de doorvoer van militaire goederen die in Nederland een economische relevante behandeling ondergaan of langere tijd (langer dan 45 dagen bij aanvoer over zee of langer dan twintig dagen bij ander vervoer) in het douane-entrepot worden opgeslagen, geldt een algemene vergunningplicht. Voor de snelle doorvoer van militaire goederen (die korter dan genoemde periodes op Nederlands grondgebied aanwezig zijn en die tijdens hun verblijf geen behandeling ondergaan) geldt een ad hoc vergunningplicht voor individuele doorvoertransacties.
De NAVO-partners, de EU-lidstaten (behalve deze die na 1 mei 2004 toetraden) en enkele belangrijke handelspartners zijn vrijgesteld van de ad hoc vergunningsplicht voor snelle doorvoer. In de periode 2000-2004 waren deze vrijgestelden verantwoordelijk voor een kleine zestig procent van alle wapenhandel in de wereld. Maar ook de KLM hoeft bijvoorbeeld geen vergunning aan te vragen voor wapens die het vervoert naar landen als Ecuador en Siërra Leone.
In een aantal gevallen kan er wel een ad hoc vergunningplicht voor de snelle doorvoer worden geëist. Dit gebeurt bijvoorbeeld als blijkt dat er wordt geprobeerd de goederen een andere bestemming te geven dan in het land van herkomst is opgegeven. Of als men probeert een transactie geheel en al aan exportcontrole te onttrekken. Een derde mogelijkheid is als met de betreffende doorvoer zwaarwegende Nederlandse belangen worden geschaad. Het is vooral belangrijk dat het risico zo klein mogelijk is dat de betreffende zending een land bereikt waartegen een internationaal wapenembargo is afgekondigd.
De toetsingscriteria voor snelle doorvoer van grote hoeveelheden wapens en andere strategische goederen zijn dus vele malen minder uitgebreid dan die voor de uitvoer van de strategische goederen van Nederlandse makelij. Bij langzame doorvoer geldt een vergunningplicht waardoor de doorvoer getoetst wordt aan dezelfde principes als de wapenexport, te weten de principes uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt. Er wordt dan gekeken of er een internationaal wapenembargo geldt tegen een land. Dit geldt niet voor doorvoer uit de bevriende landen. Voor snelle doorvoer vindt deze controle niet plaats. Dit meten met twee maten is niet logisch: waarom geen algemene vergunningplicht voor alle doorvoer? Is het afbouwen van handelsbelemmeringen voldoende reden om niet meer om te kijken naar de wapenstromen die in flitstempo ons land passeren?
Uiteraard mag van de vrijgestelden van de ad hoc vergunningplicht, en dan met name van de NAVO-partners en van de EU-lidstaten, worden verwacht dat ze zich houden aan de verplichtingen van het VN-wapenregister en dat ze even consciëntieus als Nederland hun uitvoervergunningen voor strategische goederen toetsen aan criteria als die van de mensenrechtensituatie in het ontvangende land. In de praktijk valt dit tegen. Er zijn EU-lidstaten en kandidaat-lidstaten die een geschiedenis hebben van wapenhandel met dubieuze regimes. Een land als Tsjechië, exporteerde in 2001 nog wapens naar landen als Sri Lanka en Eritrea. En België leverde onlangs nog wapens aan Nepal. Maar ook de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk maken zich geregeld schuldig aan export van wapens naar landen waar deze gebruikt worden voor het begaan van ernstige mensenrechtenschendingen of schendingen van humanitair recht.
Het is een illusie te denken dat met een vergunningplicht voorkomen kan worden dat er strategische goederen naar (potentiële) conflictgebieden verscheept worden. Het blijft bijvoorbeeld lastig te beoordelen of een bepaald goed in het land van bestemming voor militaire of burgerlijke doeleinden gebruikt gaat worden. Maar door een vergunningplicht kan de Nederlandse regering verhinderen dat wapens via Nederlands grondgebied in verkeerde handen terecht komen. In Finland, Oostenrijk en Denemarken bestaat al een algemene vergunningplicht voor alle doorvoer.
De Nederlandse economie profiteert van doorvoer van wapens uit andere landen naar landen waar we zelf geen wapens naar zouden willen uitvoeren. We verdienen eraan en dus heeft Nederland, in tegenstelling tot wat de vorige regering beweerde, wel degelijk een verantwoordelijkheid voor de doorvoer van strategische goederen via Nederland, ongeacht hoe langzaam of snel de goederen worden doorgevoerd.
Als Nederland het bevorderen van internationale veiligheid en de opbouw van de internationale rechtsorde serieus neemt, dan moeten de bestaande regels ten aanzien van doorvoer van wapens worden aangescherpt. Zoals de regels nu zijn is Nederland niet alleen moreel medeplichtig aan het zenden van wapens naar risicogebieden als Angola en Congo, maar verdient Nederland daar ook nog geld aan. De prachtige internationale reputatie ten spijt.
08-12-2009 SP en PvdA dienen motie in over eindbestemmingsverklaring »
20-11-2009 EVS pleit voor eindbestemmingsverklaring wapens »
18-11-2009 SP stelt vragen over wapendoorvoer »
12-10-2009 Minister Verhagen dringt aan op Internationaal Wapenhandelverdrag »
26-01-2009 SP en GroenLinks dienen motie in over wapendoorvoer naar Israel »
12-01-2009 Aanname gemeenschappelijk EU standpunt wapenexportbeleid »
18-12-2008 Expermeeting 'Wapenhandel en Duurzame Ontwikkeling' »
Box: Internationale campagne voor internationaal
wapenhandelsverdrag
Box: 633 Navo tanks
Campagne voor Internationaal
Wapenhandelsverdrag
Daan Schoemaker, Amnesty International, afd. Nederland.