Beleidsaanbevelingen

  • De Tweede Kamer moet bij het ministerie van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken afdwingen dat ondernemingen die meegaan op een handelsmissie beter worden voorbereid en geïnformeerd over het land waar de handelsmissie plaatsvindt. Zo zou er voorafgaand aan de missie een analyse van het land gemaakt moeten worden waarbij onafhankelijke deskundigen en NGO's worden betrokken. Na afloop moet een evaluatie volgen waarin aandacht wordt besteed aan mogelijke knelpunten op MVO-gebied. Ook moet er ondersteuning worden gegeven aan vervolgplannen om de samenwerking tussen ondernemingen en andere 'stakeholders' te verbeteren.
  • De Tweede Kamer moet erop aandringen dat ondernemers die meegaan op een handelsmissie verplicht worden de OESO-richtlijnen te onderschrijven. Eveneens moet in het jaarverslag een hoofdstuk (of een apart verslag) opgenomen worden waarin beschreven wordt hoe de OESO-richtlijnen worden geïmplementeerd in het beleid van de onderneming.

Case: MVO en handelsmissies

MVO en handelsmissies

De Nederlandse regering geeft in haar beleid hoge prioriteit aan Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO). In de praktijk wordt dat niet waargemaakt. De Nederlandse overheid gaat tijdens de handelsmissies naar ontwikkelingslanden voorbij aan haar doelstellingen op het terrein van MVO.


 
De Nederlandse regering onderkent het belang van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen voor ontwikkelingslanden. Dit blijkt onder meer uit de gezamenlijke notitie van de ministeries van Economische Zaken en Ontwikkelingssamenwerking 'Ondernemen tegen armoede'. Hierin wordt de visie uitgedragen dat de economische groei van ontwikkelingslanden samen moet gaan met MVO. Nederland heeft bovendien de MVO-richtlijnen van de OESO onderschreven en de fundamentele arbeidsrechten van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) geratificeerd en opgenomen in wet- en regelgeving (zie box 1: De OESO-richtlijnen en de ILO-verdragen). De overheid verwacht van Nederlandse ondernemingen dat zij zich, vooral in hun internationale activiteiten, houden aan deze universele MVO-normen. Ook westerse consumenten beoordelen ondernemingen steeds strenger op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Bedrijven die zich niet verantwoordelijk opstellen ten opzichte van mens en milieu, zien dit vaak vertaald in een verslechtering van de bedrijfsreputatie.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen is van groot belang voor ontwikkelingslanden. In veel ontwikkelingslanden zijn er leemtes in de wetgeving rond zaken als arbeidsrechten en milieu. Multinationals die maatschappelijk verantwoord willen ondernemen in het zuiden, moeten dus meer doen dan de lokale wetten hen voorschrijven. Uit onderzoeken van diverse NGO's blijkt dat nog te weinig multinationals deze verantwoordelijkheid op zich nemen. Een onderzoek, uitgevoerd in opdracht van de Landelijke India Werkgroep, wijst uit dat de Indiase dochter van de Brits-Nederlandse multinational Unilever, Hindustan Lever, een aanzienlijk belang heeft in een Indiase onderneming waarin op grote schaal kinderarbeid voorkomt. Hindustan Lever vormt geen uniek geval. De 'Koffie Coalitie', een samenwerkingsverband van Nederlandse vakbonden en ontwikkelingsorganisaties, concludeert in haar onderzoek dat Douwe Egberts de fundamentele arbeidsnormen van de ILO schendt op koffieplantages in Brazilië, Guatemala en Kenia. In deze landen komt op grote schaal kinderarbeid voor op koffieplantages en hebben koffieplukkers vaak niet het recht om lid te zijn van een vakbond. Regeringen in ontwikkelingslanden hebben vaak onvoldoende capaciteit om doeltreffend op te treden tegen deze multinationals. Voor westerse overheden is er dus een belangrijke rol weggelegd om MVO, met name in ontwikkelingslanden, actief te stimuleren en te faciliteren.

Sinds november 2002 organiseert het Ministerie van Economische Zaken samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken handelsmissies naar ontwikkelingslanden. Deze missies staan in het teken van MVO en hun gezamenlijke notitie 'Ondernemen tegen armoede'. (zie box 2: Achtergrond van het Nederlands MVO-beleid). In deze notitie stelt men dat de particuliere sector, zowel buitenlandse multinationals als lokale ondernemingen, zoveel mogelijk betrokken moet worden bij het bevorderen van duurzame economische groei in ontwikkelingslanden. 'Deze economische groei moet gepaard gaan met duurzame werkgelegenheidscreatie, met voorzieningen in gezondheidszorg en onderwijs, met hervormingen in de toegang tot land en andere productiemiddelen, met het bevorderen van sociale organisatie, met behoorlijke lonen en met aandacht voor de meest kwetsbare groepen.' (Ondernemen tegen armoede: Notitie over Economie en Ontwikkeling 2002: 6) In deze visie gaan economische groei en MVO dus samen. Ondanks het voornemen van de Nederlandse overheid om deze doelstellingen centraal te stellen tijdens de handelsmissies naar ontwikkelingslanden, blijkt nog geen sprake van een concrete toepassing van dit beleid.

Tijdens een handelsmissie organiseren de betrokken ministeries (samen met de betreffende ambassade) seminars, bedrijfsbezoeken en 'match-making' sessies: het bij elkaar brengen van bedrijven uit Nederland en het ontwikkelingsland. Meereizende ondernemers maken gebruik van deze faciliteiten. Maar door de Nederlandse overheid worden geen voorwaarden voor deelname aan de missie gesteld. Het onderschrijven van MVO-normen - van de ILO en van de OESO bijvoorbeeld - is niet verplicht. De Nederlandse overheid weet dus niet of de deelnemende bedrijven zich gecommitteerd voelen aan de OESO-richtlijnen en deze ook willen implementeren in hun beleid. Wanneer een onderneming daarentegen een aanvraag indient voor een export-, investerings- of samenwerkingsfaciliteit bij hetzelfde ministerie van EZ, dient het een inspanningsverklaring te tekenen ten aanzien van de OESO-richtlijnen. Dit betekent dat het bedrijf ervoor tekent om naar vermogen deze richtlijnen in de onderneming toe te passen. Het is onbegrijpelijk dat een dergelijke verplichting voor handelsmissies niet van toepassing is.

De genoemde 'match-making' sessies leiden regelmatig tot het afsluiten van contracten tussen Nederlandse ondernemingen en buitenlandse ondernemingen of hun overheden. Bij de evaluatie van een handelsmissie worden deze contracten echter niet meer getoetst aan de OESO-richtlijnen. Er vinden bijvoorbeeld geen verdere gesprekken plaats tussen de deelnemende bedrijven en de Nederlandse overheid over hoe de ondernemingen van plan zijn deze richtlijnen te integreren in hun contracten. Door het ontbreken van een adequate evaluatie en controle is het voor de ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken onbekend in hoeverre een handelsmissie heeft bijgedragen aan de implementatie van de OESO-richtlijnen. In de toekomst zou na elke missie een inventarisatie gemaakt kunnen worden van de knelpunten op het gebied van MVO. Ook zou er meer ondersteuning moeten komen voor vervolgplannen om de samenwerking tussen ondernemingen en andere 'stakeholders' (belanghebbenden) te verbeteren.

 
De EVS ziet het als een stap in de goede richting dat MVO en 'Ondernemen tegen armoede' een belangrijk onderdeel zijn gaan vormen van de handelsmissies naar ontwikkelingslanden, en dat Nederland hoge prioriteit geeft aan MVO. Helaas blijkt dit initiatief weinig voeten in de aarde te hebben. De inzet van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken is slechts gericht op het informeren van de deelnemende ondernemingen over verschillende MVO-aspecten, maar van een concrete vertaling van de MVO-doelstellingen is tijdens een handelsmissie geen sprake. Om deze incoherentie op te lossen zou de regering haar doelstellingen serieus moeten nemen en een aantal concrete stappen moeten nemen die de implementatie van de OESO-richtlijnen door Nederlandse ondernemingen bevordert en faciliteert.