Beleidsaanbevelingen

  • De knelpunten voor het toepassen van de B9 regeling moeten worden aangepakt. Het dossier van slachtoffers die de B9 regeling hebben doorlopen, moet in de asielprocedure worden meegenomen en een zwaarwegend argument zijn voor toekenning van verblijfsvergunning. 
  • Ook slachtoffers die geen aangifte van kinderhandel doen, moeten op basis van een officiële vaststelling van de politie dat er sprake is van kinderhandel de mogelijkheid hebben op veilige terugkeer. Mocht veilige terugkeer na onderzoek door de Nederlandse overheid niet mogelijk of wenselijk blijken te zijn, moet langer verblijf in Nederland mogelijk zijn waarbij het verstrekken van een permanente verblijfsvergunning niet uitgesloten is.  
  • De veiligheid van AMA’s in de opvang moet verbeterd worden. Niet door opsluiting maar bijvoorbeeld door kleinschalige opvang met een individuele aanpak. Werving voor de prostitutie en ‘vertrek met onbekende bestemming’ moeten zoveel mogelijk voorkomen worden.
  • Nederland moet in Europees verband andere lidstaten aansporen om verdragen op het gebied van kinderhandel te ratificeren en hun nationale wetgeving aan te passen aan deze verdragen. Voor zover deze landen nog niet beschikken over een Nationaal Rapporteur of over een Nationaal Actieplan, zal Nederland daarop aan moeten dringen. Ook moet Nederland aansturen op betere samenwerking tussen betrokken instanties in Europees verband.  
  • Nederland moet de landen waarmee zij een ontwikkelingsrelatie heeft, aansporen om verdragen tegen kinderhandel te ratificeren. Zodoende ontstaat er een kader waarbinnen zij deze landen kan aanspreken op hun verantwoordelijkheden ten aanzien van preventie en bestrijding. Zij kan samenwerking aanbieden op het terrein van justitie en politie, om dit te realiseren.

Case: Kinderhandel

Kinderhandel

Kinderhandel is een zeer ernstige schending van de rechten van het kind. Deze vorm van economische uitbuiting van kinderen komt wereldwijd voor. Niet alleen ontwikkelingslanden, maar ook Europese landen worden – als lucratieve afzetmarkt - geconfronteerd met kinderhandel. De Nederlandse aanpak van dit probleem is gebrekkig: de uitvoering van internationale verdragen laat te wensen over en wordt in de praktijk ondergeschikt gemaakt aan vreemdelingenwetgeving. Dit is in tegenspraak met het belang dat Nederland hecht aan de aanpak van kinderhandel en het eerbiedigen van mensenrechten in al haar buitenlands beleid.

Met kinderhandel wordt het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een minderjarige bedoeld, met het oogmerk dit kind economisch uit te buiten. Deze uitbuiting kan plaatsvinden door kinderen in te zetten in de prostitutie maar ook in andere sectoren zoals de horeca, land- en tuinbouw, naaiateliers, in de huishouding, bedelarij of criminaliteit. Arme, kansloze kinderen onder andere uit ontwikkelingslanden of conflictgebieden zijn een kwetsbare groep die gemakkelijk ten prooi valt aan ronselaars die hen, of hun ouders, een beter leven beloven. Kinderhandel kan daarom gezien worden als een armoedeprobleem dat zich niet beperkt tot de regio waar deze kinderen vandaan komen. Welvarende landen, waaronder Nederland, zijn onderdeel van de internationale keten van de handel in kinderen.

Ontwikkelingssamenwerkingbeleid op het gebied van kinderhandel

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken verklaarde in haar begroting voor 2005 dat het verder doorvoeren van de mensenrechtenbenadering speerpunt is van het beleid voor het komende jaar. Dit houdt in dat het beschermen van mensenrechten binnen alle facetten van het buitenlands beleid voorop staat. In de begroting wordt de extra kwetsbare positie van kinderen verschillende keren benadrukt. Dat kinderhandel daarom streng bestreden moet worden, vloeit hieruit voort. De Nederlandse overheid heeft daarom een aantal internationale verdragen tegen kinderhandel ondertekend en geratificeerd. Deze verdragen verplichten staten om kinderhandel te bestrijden, slachtoffers adequate bescherming te bieden en het belang van het kind altijd de eerste overweging te laten zijn in beslissingen die kinderen betreffen.

Uitvoering van verdragen

Ondanks het feit dat Nederland zichzelf middels internationale verdragen verplicht tot het aanpakken van kinderhandel, blijkt de naleving van verdragen (de implementatie van gemaakte afspraken) in de praktijk weerbarstig. Er zijn op nationaal niveau verschillende knelpunten die de bestrijding van kinderhandel in de weg staan. Zo is er sprake van capaciteitsgebrek bij politie en justitie, zijn registratiesystemen slecht op elkaar afgestemd, bestaan er samenwerkingsproblemen tussen betrokken instanties, zijn opvangmogelijkheden voor slachtoffers onvoldoende en is er te weinig aandacht voor het signaleren van kinderhandel in reguliere sectoren. Het op de agenda zetten van kinderhandel heeft in de praktijk dus nog niet geleid tot een effectieve aanpak.
Wel heeft Nederland sinds 2000 een nationaal rapporteur Mensenhandel die aan de overheid rapporteert over de vorderingen op het gebied van de bestrijding van mensenhandel en de knelpunten die dit verhinderen. In 2008 is de zesde rapportage van de nationaal rapporteur Mensenahndel verschenen. Een paar regels vatten de rapportgae kort samen: “Deze cijfermatige rapportage bevat weinig kwalitatieve informatie. De rapporteur, mw. Corinne Dettmeijer-Vermeulen, gaat wel kort in op enkele belangrijke (binnenlandse) ontwikkelingen zoals de wat teleurstellende uitkomsten van de eerste mensenhandelzaken op het gebied van uitbuiting buiten de seksindustrie, de verbeteringen (in ieder geval op papier) in de verblijfsrechtelijke positie van slachtoffers van mensenhandel en de instelling van een Task Force Mensenhandel, inclusief het feit dat daar helaas geen ngo’s deel van uitmaken. Met instemming noemt zij de landelijke wetgeving die momenteel wordt voorbereid om een strikter kader te stellen voor de gemeentelijke regelgeving op het gebied van commerciële seksuele dienstverlening, een maatregel waar de nationaal rapporteur al enige jaren op aandringt.”¹

Kortom; mensenhandel blijft een actueel onderwerp waar de overheid zich mee bezig houdt, maar in de praktijk zijn de veranderingen nog niet altijd merkbaar.

Ander beleid: kinderhandel en het vreemdelingenrecht

Naast de praktische knelpunten die de bestrijding van kinderhandel in de weg staan, lijkt in Nederland de uitvoering van het vreemdelingenrecht te prevaleren boven andere regelgeving. Dit betekent dat wanneer de naleving van verdragen tegen kinderhandel in de praktijk blijkt te knellen met het vreemdelingenrecht, het laatste voorrang krijgt. Slachtoffers van kinderhandel worden te vaak niet als zodanig geïdentificeerd door politie en hulpverleners. Zij worden gezien als illegale vreemdelingen en krijgen daardoor een behandeling die eenzijdig gericht is op uitzetting in plaats van op bescherming. Slachtoffers hebben, bijvoorbeeld op grond van het VN-Protocol (Palermo Protocol), recht op veilige opvang en veilige terugkeer. Dit impliceert dat indien veilige terugkeer moeilijk of niet wenselijk is, een permanente verblijfsvergunning kan worden verstrekt. Op dit moment gebeurt dit echter nauwelijks. De B9 regeling die in het leven geroepen is om slachtoffers van mensenhandel te beschermen, biedt alleen de mogelijkheid tot een tijdelijke verblijfsvergunning voor de duur van het proces. Maar dit geldt uiteraard alleen voor slachtoffers die aangifte doen van mensenhandel. In de praktijk blijkt dat veel slachtoffers helemaal geen aangifte doen, bijvoorbeeld uit angst voor hun handelaren en represailles in het land van herkomst. In de asielprocedure, waarin slachtoffers terechtkomen indien zij geen beroep op de B9 regeling doen of deze reeds hebben doorlopen, wordt vervolgens niet standaard onderzocht of er sprake is van kinderhandel. Politiedossiers waaruit duidelijk wordt dat er sprake is van kinderhandel worden niet automatisch meegenomen in de procedure. Hierdoor komt adequate bescherming van slachtoffers in het gedrang.

Alleenstaande minderjarige asielzoekers

De positie van alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA’s) illustreert de gebrekkige bescherming van slachtoffers van kinderhandel in Nederland. Uiteraard komen lang niet alle AMA’s in aanraking met kinderhandel. Toch vormen zij een extra kwetsbare groep als het gaat om kinderhandel, die daarom speciale aandacht verdient. Sommige AMA’s worden onder valse voorwendselen via de asielprocedure Nederland binnen gehaald met het oogmerk hier in de prostitutie te werken. Anderen worden pas later geworven uit de opvang, al dan niet door loverboy praktijken. Feit is dat er regelmatig AMA’s uit opvangcentra de illegaliteit in verdwijnen (‘vertrek met onbekende bestemming’). Een van de redenen hiervoor is dat AMA’s slechte toekomstperspectieven hebben. Op het moment dat zij de leeftijd van 18 jaar bereiken, zal de overgrote meerderheid hoe dan ook het land moeten verlaten. Artikel 3.52 van het Vreemdelingenbesluit vormt een mogelijkheid om AMA’s die slachtoffer van kinderhandel zijn een uitzonderingspositie te geven waardoor zij wel recht op voortgezet verblijf hebben. Dit artikel wordt echter nauwelijks gebruikt.

Kinderhandel in Europa

Kinderhandel is een grensoverschrijdend probleem, wat betekent dat alleen een lokale aanpak in Nederland nooit voldoende kan zijn. In de Haagse Verklaring van 1997 werd afgesproken dat alle lidstaten van de Europese Unie een Nationaal Rapporteur Mensenhandel zouden aanstellen die overheden rapporteren over mensenhandel en beleidsaanbevelingen doen. Tot op heden heeft naast Nederland alleen Zweden een Nationaal Rapporteur. Hoewel er de afgelopen jaren in bijna iedere lidstaat initiatieven op het gebied van kinderhandel zijn ontplooid, laat Europese harmonisering van de aanpak nog te wensen over. Dit bemoeilijkt de broodnodige internationale samenwerking tussen betrokken instanties. Met de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie neemt de urgentie van Europese afstemming op het gebied van kinderhandel echter toe. De nieuwe Centraal en Oost-Europese lidstaten zijn belangrijke herkomstlanden van slachtoffers in West Europa en zijn bestemmings- en transitlanden voor slachtoffers uit omringende niet EU lidstaten. Juist in deze landen loopt de aanpassing van wetgeving vaak achter bij de oude lidstaten. Indien wetgeving al wel conform internationale afspraken is, zijn de middelen die deze landen uittrekken voor de bestrijding van kinderhandel meestal ontoereikend. Ook in ontwikkelingslanden staat kinderhandel over het algemeen laag op de agenda. Met name op het terrein van preventie en veilige terugkeer van slachtoffers is het essentieel dat deze landen worden betrokken. Hierin ligt een rol voor Nederland weggelegd door bilaterale samenwerking, bijvoorbeeld door gebruik te maken van partnerrelaties. De Oost-Europese en West-Afrikaanse landen waarmee Nederland een partnerrelatie onderhoudt zijn Albanië, Armenië, Bosnië-Herzegovina, Macedonië, Moldavië, Georgië, Burkina Faso, Kaapverdië, Senegal, Ghana en Benin. Dit zijn niet de allerbelangrijkste herkomstlanden voor slachtoffers van kinderhandel in Europa, maar wel landen waarbij Nederland extra gewicht in de schaal kan leggen door de bestaande partnerrelatie.

 

Noten

¹ http://www.bnrm.nl/rapportages/zesde/