Beleidsaanbevelingen

  • De kosten van de afschrijving van exportkredietschulden komen niet ten laste van ontwikkelingssamenwerking.
  • In internationaal verband pleit Nederland ervoor dat afschrijving van exportkredietschulden niet als een vorm van officiële ontwikkelingshulp (ODA) opgevoerd mag worden.
  • Het Ministerie van Financiën en Economische zaken brengen een toets van ontwikkelingsrelevantie aan (naast milieucriteria), zodat ontwikkelingslanden niet opgescheept worden met nieuwe onhoudbare exportkredietschulden.
  • Het Ministerie van Financiën reserveert de inkomsten van de exportkredietverzekering voor de uitkeringen van exportkredietverzekeringen. Zo wordt duidelijk hoe Nederland voldoet aan de internationale afspraken om de inkomsten en uitgaven van de exportkredietfaciliteit op langere termijn in evenwicht te houden.

Case: Export Krediet Verzekeringen

Exportkredietverzekeringen

Als het Nederlandse bedrijfsleven wil exporteren naar ontwikkelingslanden kan het de betalingsrisicos van zijn transacties herverzekeren bij de Nederlandse staat. Wanneer de exporteur niet wordt betaald, neemt de staat de vordering op het ontwikkelingsland over. Als het aankomt op schuldenkwijtschelding gaat dat niet ten laste van eerder betaalde premies, maar op rekening van ontwikkelingssamenwerking. Bij het afgeven van een exportkredietverzekering de transactie niet getoetst wordt op relevantie voor duurzame ontwikkeling van het land.

 

Exporterende bedrijven of bedrijven die in het buitenland investeren, lopen commerciële en politieke risicos die zij op de binnenlandse markt niet tegenkomen. De risicos van exporten naar en investeringen in ontwikkelingslanden zijn vaak dusdanig groot dat commerciële kredietverzekeraars deze alleen maar tegen onaanvaardbaar hoge premies kunnen overnemen. In deze gevallen bieden overheidsgesteunde exportkredietverzekeringen uitkomst. Elk industrieland kent een eigen overheidsgesteunde exportkredietverzekeraar (ECA). In Nederland is deze taak uitbesteed aan Atradius Dutch State Business (Atradius DSB). Tegen betaling van een premie worden betrokken bedrijven geholpen zich in te dekken tegen financieringsrisicos.

Om oneerlijke concurrentie te vermijden is internationaal afgesproken dat de steun van ECAs zoveel mogelijk vergelijkbaar moet zijn. ECAs zijn verplicht bepaalde minimum premietarieven aan te houden en ook moeten zij ervoor zorgen dat hun inkomsten (premies, rente en achterstallige betalingen) op lange termijn voldoende zijn om de gemaakte onkosten en verliezen te dekken. Kostendekkendheid is nodig om oneigenlijke overheidssubsidie aan bedrijven te voorkomen.

Beleid van Financiën

Zodra een bedrijf niet wordt betaald, kan een schadeclaim bij Atradius DSB worden ingediend. Onder aftrek van een eigen risico, wordt het bedrijf schadeloos gesteld en neemt Atradius DSB namens de Nederlandse overheid de vordering op de betrokken afnemer over. Atradius DSB stelt de overheid van het betrokken ontwikkelingsland aansprakelijk. Via haar incassoafdeling doet Atradius DSB er alles aan om de vordering -die vaak flink groeit door boetes voor achterstallige betalingen en rente- alsnog te innen. Daarbij wordt volledig voorbij gegaan aan de schuldenlast van het betrokken ontwikkelingsland. Pogingen tot invordering worden volgehouden tot het moment dat de Nederlandse overheid tot schuldenkwijtschelding besluit.
In geval van kwijtschelding wordt de schuld afgeschreven ten laste van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. De afschrijving wordt als uitgave geboekt, inclusief het eigen risico dat betrokken ondernemingen tot nu toe waren misgelopen. Op dat moment krijgen deze alsnog dat eigen risico terug. Dit betekent dat bedrijven zich -tegen betaling van een premie voor een exportkredietverzekering- bij de staat uiteindelijk op kosten van ontwikkelingssamenwerking vrijwaren van de risicos van hun commerciële transacties in ontwikkelingslanden.

Beleid van Ontwikkelingssamenwerking (DGIS)

Om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van de bilaterale exportkredietschulden moeten ontwikkelingslanden een beroep doen op de Club van Parijs , een informeel samenwerkingsverband van 19 rijke schuldeisende landen, waaronder Nederland. Besprekingen met de Club van Parijs vinden achter gesloten deuren plaats. In alle gevallen worden betrokken schuldenlanden gedwongen een akkoord over economische hervormingen en het te voeren economisch beleid te sluiten met het IMF. Een essentieel kenmerk van dergelijke regelingen is dat publieke uitgaven tot een minimum worden beperkt, waardoor doelen van duurzame ontwikkeling in de praktijk voor lange tijd het onderspit delven.
Meestal oordeelt het Internationaal Monetair Fonds dat de schuldenlast van een land acceptabel is als ze niet hoger is dan 150% van de jaarlijkse exportinkomsten. Dit criterium houdt geen rekening met andere factoren die van groot belang zijn voor de duurzame ontwikkeling van arme landen. De praktijk wijst uit dat veel landen niet in staat zijn een schuld op het genoemde niveau te consolideren, laat staan verder terug te brengen. De financieringsbehoefte voor het behalen van de Millenniumdoelen (MDGs) is een veel beter criterium. Kwijtschelding van exportkredietschulden is noodzakelijk om voldoende middelen vrij te maken om de MDGs te kunnen halen.

Incohrentie

De door de overheid gesteunde exportkredietverzekeringen van Atradius DSB blijken op meerdere punten niet coherent te zijn met het Nederlandse beleid gericht op duurzame ontwikkeling.

Ten eerste gaat kwijtschelding van exportkredietschulden op rekening van ontwikkelingssamenwerking, waardoor dat ten koste gaat van andere ontwikkelingsactiviteiten. In de afgelopen tijd heeft Nederland omvangrijke exportkredietschulden kwijtgescholden, onder andere aan Irak (€196 miljoen) en Nigeria (€ 620 miljoen). Voor dergelijke afschrijvingen maakt Nederland speciale reserveringen op de begroting voor ontwikkelingssamenwerking, en ook worden ze over meerdere jaren uitgesmeerd. Desalniettemin blijft er sprake van forse kortingen op de beschikbare middelen voor ontwikkelingssamenwerking.

Bovendien worden exportkredietverzekeringen voor commerciële transacties van Nederlandse bedrijven in ontwikkelingslanden niet getoetst op relevantie voor duurzame ontwikkeling. Het ontbreekt volledig aan afstemming van het beleid van Atradius DSB met de prioriteiten van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Nederlandse overheid. De meeste exportkredietschulden komen voort uit commerciële transacties zonder ontwikkelingsdoel. Toch leggen deze schulden een zwaar beslag op de publieke middelen van overheden van ontwikkelingslanden. Terwijl schuldenkwijtschelding vaak bittere noodzaak is, is het oneigenlijk dat de kwijtschelding van de exportkredietschulden ten laste van ontwikkelingsbudgetten wordt gebracht. Zo draait Ontwikkelingssamenwerking voor de schades van Atradius DSB op.

En ten slotte worden de inkomsten van de exportkredietverzekering (premies, rente en achterstallige betalingen) niet aangesproken. Atradius DSB publiceert geen jaarrekening, waardoor de financiën van de exportkredietverzekeringsfaciliteit moeilijk te controleren zijn. Het valt sterk te betwijfelen dat Nederland voldoet aan de internationale afspraak dat de kosten van de faciliteit op langere termijn worden gedekt door de inkomsten. Naast de reguliere inkomsten zijn er recentelijk aanzienlijke achterstallige betalingen aan Nederland gedaan, onder andere door Rusland (€ 500 miljoen), door Nigeria (€ 575 miljoen), en vermoedelijk ook een ander arm land als Sudan (€100 miljoen). Deze inkomsten vloeien direct in de algemene middelen en zijn te beschouwen als meevallers op de rijksbegroting. Anders dan kwijtscheldingen worden deze niet ten gunste van de begroting ontwikkelingssamenwerking gereserveerd.