De Nederlandse regering moet corruptie tegen gaan door:
Het bestrijden van corruptie staat hoog op het prioriteitenlijstje van iedereen die zich bezighoudt met ontwikkelingssamenwerking. Begin 2001 kwam er dan ook goed nieuws uit Den Haag: in het kader van de internationale corruptiebestrijding werd het betalen van smeergeld aan buitenlandse ambtenaren strafbaar gesteld. Een mooie stap vooruit. Er is helaas ook slecht nieuws. De aanpassing van de wet heeft nog tot geen enkele veroordeling geleid. Bovendien zijn steekpenningen in Nederland nog steeds fiscaal aftrekbaar, onder de noemer van acquisitiekosten. Op deze manier gedoogt de overheid het omkopen van ambtenaren. De fiscus betaalt een kwart tot de helft mee aan elke euro die wordt ingezet bij het omkopen van een ambtenaar. Kortom, de schatkist levert de middelen voor de ondermijning van het eigen internationale anti-corruptiebeleid.

Corruptie ondermijnt de ontwikkeling van een land. Geld en hulpgoederen komen niet op de juiste plaats terecht. Kosten voor projecten zijn onnodig hoog. Zaken doen wordt onaantrekkelijk. De kwaliteit van diensten gaat omlaag. En het overheidsapparaat functioneert slecht. Bestrijding van corruptie is voor ontwikkelingslanden dan ook bittere noodzaak. Daarom is goed bestuur een van de belangrijkste themas binnen het Nederlands ontwikkelingsbeleid. We stellen terecht harde eisen aan ontwikkelingslanden. Goed bestuur kenmerkt zich door serieuze pogingen om corruptie te bestrijden. Via nadruk op goed bestuur hopen we corruptie terug te dringen en de effectiviteit van hulp te maximaliseren. Dit gaat zelfs zover dat een groot aantal landen geen directe hulp meer ontvangt omdat zij te corrupt zouden zijn.
Dit is maar één deel van het verhaal. Corruptie kan immers aan twee kanten bestreden worden. Bij de ontvangers: de overheden in ontwikkelingslanden. En bij de betalers: vaak westerse bedrijven. Onthoud dat er zonder betaler geen ontvanger is. Het ligt daarom voor de hand om in eigen land maatregelen te nemen die het betalen van smeergeld zo onaantrekkelijk mogelijk maken. De belastingaftrek voor betaalde steekpenningen staat haaks op dit idee.
De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft corruptiebestrijding tot één van haar speerpunten uitgeroepen. In 1997 is het OESO-corruptieverdrag opgesteld. Na jaren van uitstel heeft Nederland in 2001 het verdrag geratificeerd. Zoals afgesproken in het verdrag is de wetgeving daarop aangepast en is het omkopen van buitenlandse ambtenaren strafbaar gesteld. De directies van bedrijven die zich schuldig maken aan omkoping kunnen in theorie hoge boetes en zelfs gevangenisstraffen tegemoet zien. Maar geen enkele onderneming zal openlijk toegeven dat het zich schuldig heeft gemaakt aan corruptie. Datzelfde bedrijfsleven stelt al jaren dat het in veel landen onmogelijk zaken doen is zonder smeergeld te betalen. Ook werkgeversorganisatie VNO-NCW erkent deze realiteit. De verwachting was dan ook dat het Openbaar Ministerie zonder al te veel problemen een internationale corruptiezaak aan het licht zou kunnen brengen. Niets bleek minder waar.
Dat er nog geen enkele veroordeling is geweest, toont aan dat de aangepaste wetgeving niet veel meer dan een losse flodder is. Dit heeft twee vervelende gevolgen. In de eerste plaats is het een slecht signaal richting het bedrijfsleven. Directies weten dat ze weinig hoeven vrezen. Aan de oude praktijk van omkopingen in het buitenland zal dan ook niet veel veranderd zijn. Het uitblijven van veroordelingen heeft bovendien directe gevolgen voor de aftrekbaarheid van steekpenningen. Deze aftrek wordt volgens de huidige fiscale wetgeving namelijk geweigerd als een bedrijf is veroordeeld voor omkoping. Deze mits in de wetgeving blijkt nu in de praktijk waardeloos. Het ligt dan ook voor de hand om de fiscale aftrekbaarheid in zijn geheel af te schaffen. Ook de OESO heeft deze maatregel al meerdere malen bij de Nederlandse overheid aangekaart.
In het rapport review of implementation of the convention and 1997 recommendations uit 2001 wordt door de OESO vastgesteld dat het huidige Nederlandse fiscale stelsel niet in overeenstemming is met de afspraken uit het corruptieverdrag. Bovendien wijkt de Nederlandse situatie af van de praktijk in andere landen. De hoofdoorzaak van deze afwijking is volgens de OESO het feit dat in Nederland een gerechtelijke veroordeling vereist is bij het weigeren van aftrek. Dit is nu precies waar de Staatssecretaris van Financiën een einde aan wil maken.
De Staatssecretaris heeft op 20 juni 2006 een voorstel tot wetswijziging naar de Tweede Kamer gestuurd. In dit nieuwe voorstel kan de belastinginspecteur aftrek weigeren als aannemelijk is dat de kosten bestaan uit betaalde steekpenningen. Er is dan dus niet langer een gerechtelijke veroordeling nodig. Critici van dit voorstel stellen dat hierdoor de belastinginspecteur op de stoel van de rechter komt te zitten. Het is echter gangbare praktijk dat binnen het belastingrecht een andere bewijslast geldt dan in het strafrecht. De belastinginspecteur doet dan ook strikt genomen geen uitspraak over het al dan niet begaan van een strafbaar feit. Dit blijft een afzonderlijke taak voor het Openbaar Ministerie. Het is verstandig de zaken niet ingewikkelder te maken dan ze werkelijk zijn.
De vaste Kamercommissie Financiën heeft zich inmiddels over het voorstel gebogen. Het wachten is nu op de kabinetsreactie op de vragen uit de commissie. Vervolgens zal de Kamercommissie zich weer over die antwoorden buigen. Dan wordt het stuk uiteindelijk in de Tweede Kamer in stemming gebracht. De Kamer doet er goed aan zich bewust te zijn van het doel van de wetswijziging en in te stemmen met het voorstel van de Staatssecretaris. Sinds 2006 hebben er geen ontwikkelingen meet plaatsgevonden op dit onderwerp.
Verder moet ook het Openbaar Ministerie meer steun krijgen in de strijd tegen corruptie. Het ontbreekt het OM momenteel simpelweg aan de middelen. De Officier van Justitie die belast is met corruptiezaken heeft zijn handen alleen al vol aan de bouwfraude. Het opsporingsapparaat, in de vorm van de rijksrecherche, kampt met hetzelfde probleem. Daarnaast is corruptie een zeer lastig te bewijzen delict. Het feit dat de handelingen veelal in het buitenland hebben plaatsgevonden, maakt het er niet makkelijker op. Wat kan daar aan gedaan worden? Er zullen meer middelen vrij moeten komen. Daarnaast kan de bewijslast deels bij bedrijven worden gelegd, door het instellen van een wettelijk verplichte gedragscode. In de financiële sector kent men al een dergelijk systeem.
| SP | |
| GroenLinks | |
| CU | |
| ChristenUnie | |
| Partij van de Dieren |





